Meer hulpverlening nodig na onbedoelde zwangerschap

Door Ward Biemans SJ
Dit artikel verscheen eerder in Leef, magazine van Schreeuw om Leven, 33 nr. 3, mei 2017, p. 12-14.

In het Kamerdebat van 3 maart 2016 heeft minister Schippers van Volksgezondheid een nieuwe
evaluatie van de Wet Afbreking Zwangerschap (WAZ) toegezegd. (Tweede Kamer, 2016, 23) In dit
debat werd een pleidooi gehouden voor de uitbreiding van de bestaande hulpverlening na onbedoelde
zwangerschap, zoals momenteel al op bescheiden schaal gebeurt door organisaties als FIOM en Siriz.
Het aantal aanvragen voor zorgfaciliteiten voor vrouwen en meiden die onbedoeld zwanger zijn
geraakt, is al jaren groter dan het beschikbare aanbod. (Biemans, 2016, 303)

Het huidige hulpaanbod
Na de ontdekking van een onbedoelde zwangerschap verlenen onder andere de Fiom, Siriz en
Schreeuw om Leven hulp aan vrouwen die dit wensen. De Fiom meldt dat in Nederland jaarlijks zo’n
67.000 vrouwen onbedoeld zwanger raken. 15,6% van deze vrouwen heeft behoefte aan professionele
hulp om een goed besluit te kunnen nemen. Dit betreft dus ruim 10.000 vrouwen per jaar. (Fiom 2013,
21) Bij counseling is het van belang dat wordt ingegaan op alle relevante aspecten die van invloed
zijn, zoals de rol van de partner/verwekker, financiële aspecten, het sociale netwerk van de vrouw,
eventuele spanning met werk of scholing en de haalbaarheid van alternatieven voor abortus, zoals
ouderschap, pleegzorg of adoptie.

Mentale en fysieke risico’s en effecten
In Nederland worden ongeveer 30.000 abortussen per jaar uitgevoerd. Een overhaaste beslissing om
tot abortus over te gaan, kan leiden tot ernstige mentale gezondheidsproblemen bij meiden en
vrouwen. De recent aan de Tweede Kamer aangeboden studie van Jenneke van Ditzhuijzen e.a. toont
geen blijvend significant verband aan tussen abortus en het ontstaan van psychische aandoeningen
over een periode van ruim 5 jaar. Hierbij moet worden opgemerkt, dat in de onderzoeksgroep meiden
tussen de 15 en 18 jaar ontbraken. Verder was de groep vrouwen die meerdere abortussen heeft
ondergaan, sterk ondervertegenwoordigd. (Ditzhuijzen, van, 2016, 23) Tevens hebben Van
Ditzhuijzen e.a. het ontwikkelen van een Posttraumatische Stressstoornis (PTSD) niet meegenomen in
hun onderzoek. Diverse recente studies tonen een verband aan tussen abortus, posttraumatische stress
en PTSD. Risicogroepen zijn vrouwen met een gevorderde zwangerschap en vrouwen met een
traumaverleden of met bestaande mentale gezondheidsproblemen. (Daugirdaite e.a., 2015)
Naast mentale gezondheidsrisico’s zijn ook mogelijke fysieke gezondheidsrisico’s van abortus
onderwerp van onderzoek en discussie. Recentelijk heeft een flink aantal Aziatische studies – onder
andere uit Bangladesh, China, India en Turkije – een verband aangetoond tussen borstkanker en een
abortusverleden. (Schneider e.a., 2014) Tevens wijzen diverse Westerse studies op een verhoogd risico
van vroegtijdige bevallingen bij zwangerschappen volgend op abortus provocatus, in het bijzonder
wanneer curettage (het wegzuigen van het weefsel) is toegepast. (Lemmers e.a., 2016) Vroegtijdige
geboorte betekent een hoger risico op ernstige afwijkingen, in het bijzonder aan het centrale
zenuwstelsel. (Honein e.a., 2009)

Intrinsieke waardigheid
Er zijn drie onderliggende uitgangspunten aan te wijzen die een rol spelen bij de vraag naar de
hulpverlening na onbedoelde zwangerschap, namelijk de intrinsieke waardigheid van het menselijk
embryo, het gelijkheidsbeginsel en de autonomie van de vrouw.
Daniel Sulmasy betoogt dat het ongeboren menselijk leven een intrinsieke waardigheid kent, vanwege
de soortspecifieke capaciteiten voor taal, rationaliteit, liefde, vrije wil, morele
handelingsbekwaamheid, creativiteit, esthetische gevoeligheid en de bekwaamheid om het eindige en
het oneindige conceptueel te vatten. (Sulmasy, 2008) De intrinsieke waardigheid van de menselijke
soort is, aldus Sulmasy, niet gebaseerd op de actieve expressie door een individu. Pasgeborenen,

personen met een ernstige mentale beperking of comateuze patiënten ontberen één of meer van de
genoemde capaciteiten, maar zij delen in dezelfde menselijke waardigheid.

Het gelijkheidsbeginsel
Dit uitgangspunt brengt ons bij het zogenaamde gelijkheidsbeginsel. Uit dit beginsel vloeit
bijvoorbeeld voort dat ieder individu recht heeft op gezondheidszorg en andere vormen van zorg,
ongeacht de verschillen in behoefte. Door diverse auteurs is het gelijkheidsbeginsel naar voren
gebracht ten aanzien van selectieve abortus na prenatale diagnostiek. De realiteit in Nederland (en in
andere Westerse landen) laat zien dat na de ontdekking van bijvoorbeeld het syndroom van Down of
spina bifida (open rug) 80 à 95% van de ouders kiest voor het afbreken van de zwangerschap.
(Tymstra e.a., 2004) Uiteraard betekent de keuze waar ouders voor staan na de ontdekking van een
foetale afwijking vaak een enorm dilemma, te meer daar het kind aanvankelijk meestal (zeer) gewenst
was. Het probleem, waar onder meer Erik Parens en Adrienne Asch op wijzen, is dat selectieve
abortus niet alleen een negatieve houding uitdrukt tegenover de handicap an sich, maar eveneens naar
de dragers van deze handicap. (Parens en Asch, 1999) Parens en Asch noemen als risico van prenatale
diagnostiek dat één kenmerk symbool gaat staan voor het hele menselijke wezen. De intrinsieke
waardigheid van het individu komt dan in gevaar.

Autonomie
De derde onderliggende waarde in de discussie omtrent abortus betreft de autonomie van de vrouw. In
Nederland en in vele andere Westerse landen wordt als het beoogde gunstige effect van de
abortuspraktijk de realisatie van de autonome beslissing van de vrouw genoemd. De vraag is echter of
in veel gevallen gesproken kan worden van een werkelijk autonome beslissing. 19% van de vrouwen
die kiezen voor abortus, ervaart weinig steun van de partner/verwekker tijdens de besluitvorming.
(Ditzhuijzen, van e.a., 2016, 42) Binnen de huidige wetgeving plaatst dit de vrouw meteen in een
kwetsbare positie. Zij heeft immers juridisch gezien de keuze om voor abortus te kiezen. De man kan
zeggen: ‘Het is jouw beslissing’ en zo het signaal afgeven dat hij niet de verantwoordelijkheid wil
dragen. De vrouw kan zich hierdoor sterk onder druk gezet voelen, zeker wanneer zij het gevoel heeft
moeilijk alleen voor haar kind zorg te kunnen dragen. In zulke gevallen kan het zinvol zijn om de
partner/ verwekker van het ongeboren leven formeel te betrekken in het besluitvormingsproces, onder
begeleiding van een gespecialiseerde hulpverlener.
Er zijn ook situaties bekend, waarin een jonge vrouw twijfelt over een abortus, omdat zij zelf het kind
wenst, maar haar ouders en/of de ouders van haar partner grote bezwaren hebben. 12% van de
vrouwen die kiezen voor abortus, ervaart sociale druk van vader, moeder, een vriend of vriendin rond
het moment van de abortus. (Ditzhuijzen, van e.a., 2016, 42) Dit kan voor de vrouw soms dramatische
gevolgen hebben. Uit het evaluatie-onderzoek bleek bovendien dat van de vrouwen die twijfelen een
meerderheid deze twijfels niet laat merken in de kliniek of het ziekenhuis. (Visser e.a. 2005, 84) Het is
dan ook van groot belang, dat standaard de tijd wordt genomen om alle relevante opties tijdens de
besluitvorming aan bod te laten komen, inclusief de voor- en nadelen die de vrouw hierbij ziet. Ook in
dergelijke situaties kan counseling buiten de abortuskliniek of het ziekenhuis van grote waarde blijken
te zijn.

Mijn conclusie is dan ook dat een forse uitbreiding van de hulpverlening aan onbedoeld zwangere
vrouwen nodig is, vanwege de knelpunten in het huidige hulpaanbod, de mogelijke mentale en fysieke
gevolgen van abortus, de intrinsieke waardigheid van het menselijk embryo, de gelijkwaardigheid van
personen met een bepaalde beperking en de belemmeringen voor een autonome keuze.

Dit artikel verscheen eerder in Leef, magazine van Schreeuw om Leven, 33 nr. 3, mei 2017, p. 12-14.

Bronnen:
Biemans W. The Heart and the Abyss. Preventing Abortion. Connor Court, Ballarat, 2016.

Daugirdaite V. e.a. Posttraumatic Stress and Posttraumatic Stress Disorder after Termination of
Pregnancy and Reproductive Loss. A Systematic Review. Journal of Pregnancy, 2015, Article ID
646345, 14 p.
Ditzhuijzen, J van e.a. Abortus en psychische gezondheid. Een longitudinale cohortstudie naar de
psychische gezondheid van vrouwen die een abortus meemaken. Utrecht, 2016.
Fiom. Choice, Jaarmagazine 2013.
Honein MA e.a. The Association Between Major Birth Defects and Preterm Birth. Maternal and Child
Health Journal, 2009; 13: 164-175.
Lemmers M e.a. Dilatation and curettage increases the risk of subsequent preterm birth: a systematic
review and meta-analysis. Human Reproduction 2016; 1: 34-45.
Parens E en Asch A. The Disability Rights Critique of Prenatal Genetic Testing. Reflections and
Recommendations. The Hastings Center Report, 1999 (29, 5): S1-S22.
Schneider P. The breast cancer epidemic: 10 facts. The Linacre Quarterly, 2014, 81 (3): 244–277.
Sulmasy D. Dignity and Bioethics: History, Theory and Selected Applications. In: President’s Council
on Bioethics. Human Dignity and Bioethics. Washington D.C., 2008: 469-501.
Tweede Kamer der Staten-Generaal. Wet Afbreking Zwangerschap, 30371, nr. 31, Verslag van een
algemeen overleg van 3 maart 2016 van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Tymstra T e.a. Prenatal diagnosis of Down’s Syndrome: Experiences of women who decided to
continue with the pregnancy. International Journal of Risk & Safety in Medicine, 2004 (16): 91-96.
Visser MRM e.a. Evaluatie Wet afbreking zwangerschap, ZonMW, Amsterdam, 2005.