Nieuwe abortuscijfers laten deze 6 trends zien

Het ministerie van Volksgezondheid heeft de jaarrapportage van de Wet afbreking zwangerschap (Waz) gepubliceerd. De cijfers gaan over het jaar 2018 en laten de volgende trends zien.


Trend #1 – Het aantal abortussen stijgt licht

Al jaren ligt het aantal abortussen rond de 30.000 per jaar. Nu zien we echter een lichte toename: van 30.523 in 2017 naar 31.002. De stijging is ondanks het faillisement van verscheidene abortuscentra.


Trend #2 – De abortusratio neemt toe

De abortuslobby sust graag zorgen over de grote omvang van abortus in Nederland met de bewering dat het aantal abortussen al jaren stabiel is. In absolute zin klopt: de blauwe lijn hierboven is redelijk constant. Maar schijn bedriegt. Het aantal abortussen blijft redelijk gelijk, maar het aantal verwekte kinderen daalt. Nederlanders krijgen steeds minder kinderen.

De abortusratio – het aantal abortussen per 1.000 levengeborenen – neemt daardoor gestaag toe: van 93 in 1990 naar 152 in 2010, met 164 als stand in 2018. Dit betekent concreet dat van de ongeboren kinderen dertig jaar geleden ongeveer 9 procent werd gedood; in 2018 was dit al 15 procent. Eén op de zeven kinderen wordt geaborteerd – dat is vier kinderen per schoolklas.


Trend #3 – Het aantal abortussen ná de wettelijk grens stijgt flink

Bij het cijfer 31.002 zijn niet de abortussen meegerekend die na de wettelijke grens van 24 weken uitgevoerd zijn. In 2017 werden een dergelijke abortus driemaal uitgevoerd; in 2018 wel elf keer. Dat is bijna een verviervoudiging. Het betreft hier kinderen met ernstige aandoeningen die naar de mening van artsen een ‘mensonwaardig bestaan’ zullen hebben. Dit cijfer zal nog verder stijgen, omdat onder ‘mensonwaardig bestaan’ steeds meer geschaard wordt. Een deel van de medische stand acht bijvoorbeeld het leven met syndroom van Down ‘mensonwaardig’.


Trend #4 – Het aantal net vóór de wettelijke grens stijgt ook

De wettelijke grens van 24 weken is vastgesteld in de jaren tachtig: toen gold bij vroeggeboorte dat alleen kinderen van na 24 weken kans op leven maken. Ondertussen is de geneeskunde geavanceerd genoeg om (een deel van de) kinderen met 23, 22 of zelfs 21 weken al te redden. Toch mogen in Nederland kinderen met 23 weken nog geaborteerd worden. Hun aantal neemt zelfs toe. In 2016 werden 122 kinderen met 23 weken gedood, in 2018 lag hun aantal al op 166.


Trend #5 – Overtijdsbehandelingen rukken ‘onder de radar’ op

De officiële cijfers meten alleen abortussen waarbij vastgesteld is dat er daadwerkelijk een kind is. Bij overtijdbehandelingen is dit lastig: er wordt niet gecontroleerd met een echo, maar vrouwen krijgen direct een pil. Er geldt geen wettelijke bedenktermijn van vijf dagen. Evenmin een registratieplicht. Deze abortussen blijven dus ‘onder de radar’ in de jaarrapportage. Terwijl de ingreep op dezelfde wijze geschiedt en de medische risico’s hetzelfde zijn als bij een geregistreerde abortus. De ingreep mag ook alleen uitgevoerd worden door ziekenhuizen en centra met een ‘abortusvergunning’. Vreemde situatie.

De cijfers die het jaarrapport heeft, tonen een lichte daling: van 8.553 in 2015 naar 7.536 in 2018. Maar de opmars van de abortuspil, die steeds vaker verstrekt wordt door ziekenhuizen en abortuscentra, maakt het aannemelijk dat het feitelijke aantal overtijdbehandelingen c.q. zeer vroege abortussen stijgt.

Lees ook: Dit is wat er gebeurt als je een abortuspil slikt

Trend #6 – Overleg met andere deskundige neemt af

Abortusvoorstanders hameren erop dat abortus een zware, emotionele ingreep is die vrouwen niet zomaar maken. Dan ligt het voor de hand dat vrouwen die abortus overwegen, zich makkelijk tot een andere deskundige dan de behandelde arts kunnen wenden: een geestelijk verzorger, een psycholoog of een maatschappelijk werker.

In 2011 gebeurde dit bij 8,1 procent van de vrouwen. Dit aantal is nog lager geworden: 5,6 procent in 2018. Opmerkelijk aangezien ChristenUnie binnen kabinet-Rutte III zich zegt in te zetten voor extra hulp aan ongewenst zwangere vrouwen. In 2018 – het eerste volledige jaar waarin Rutte III aan de macht was – vertaalde deze inzet zich niet in een stijging van het aantal overleggen met andere deskundigen.

Download HIER de jaarrapportage van 2018.